Wijziging bedragen WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK per 1 januari 2010
Wijziging bedragen WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK per 1 januari 2010
1. Inleiding
Het wettelijk minimumloon is per 1 januari 2010 vastgesteld op € 1.407,60 per maand. In verband hiermee zal het netto minimumloon, als bedoeld in artikel 37 van de Wet werk en bijstand (WWB) per genoemde datum eveneens een wijziging ondergaan. Uiteraard heeft dit gevolgen voor de aan het nettominimumloon gerelateerde bijstandsnormen en grondslagen Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Ook de bruto bedragen genoemd in de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) wijzigen per 1 januari 2010.
Voor de belastingtarieven en de heffingskortingen die relevant zijn voor de gehanteerde bruto-netto trajecten geldt nog een voorbehoud van definitieve afhandeling van het belastingplan door de Eerste Kamer. De bedragen hebben daarom noodgedwongen een voorlopig karakter.
De wijziging van de WWB-, WIJ-normen en WWIK-bedragen vindt van rechtswege plaats. Van de nieuwe bedragen wordt, namens de staatssecretaris, door de directeur Inkomensverzekeringen en –voorzieningen mededeling gedaan in de Staatscourant. Ook de besluiten tot wijziging van de overige bedragen zullen binnenkort in de Staatscourant worden gepubliceerd.
In bijlage I zijn de bijstandsnormen opgenomen zoals deze per 1 januari 2010 zullen gelden. De berekening van de bijstandsnormen per maand voor een echtpaar, een alleenstaande
ouder en een alleenstaande van 21 tot 65 jaar is weergegeven in bijlage II. De netto in de
IOAW en de IOAZ genoemde bedragen, die uitgangspunt vormen voor de grondslagen
staan in bijlage III, de grondslagen ingevolge de IOAW en de IOAZ in bijlage IV en de
WWIK-bedragen in bijlage V. In bijlage VI staan de formules en percentages genoemd in paragraaf 6 (vakantietoeslag) van de Regeling WWB voor 2010. In bijlage VII vindt u de bedragen genoemd in de Regeling financiering en verantwoording IOAW, IOAZ en Bbz 2004. In bijlage VIII vindt u de bedragen van de inkomensvoorziening in de WIJ en in bijlage IV treft u de schatting van de belastbare inkomens van bijstandsgerechtigden aan.
2. In de algemene bijstand begrepen vakantietoeslag
In artikel 19, derde lid, van de WWB is aangegeven hoe hoog het aandeel is van de in de algemene bijstand begrepen vakantietoeslag. Het in dat artikel genoemde percentage geeft de verhouding weer tussen de netto aanspraak op vakantietoeslag en het maandloon inclusief vakantietoeslag die bij het netto minimumloon bestaat. Het percentage per 1 januari 2010 blijft 5 procent.
3. Bijstandsnormen voor personen van 65 jaar of ouder
Ten aanzien van de bijstandsnormen voor personen van 65 jaar of ouder wordt aangesloten bij de netto AOW-bedragen. Daarbij wordt rekening gehouden met de voor AOW-gerech-tigden geldende algemene heffingskorting, de ouderenkorting en – voor zover van toepassing – de aanvullende ouderenkorting. Ten aanzien van het normbedrag voor de persoon van 65 jaar of ouder met een partner die jonger is dan 65 jaar wordt daarbij tevens in aanmerking genomen de algemene heffingskorting voor de (minstverdienende) jongere partner voor zover de door de bejaarde partner verschuldigde loonheffing daarvoor toereikend is. Deze algemene heffingskorting voor de jongere partner moet door de
1
betrokkene bij de Belastingdienst worden aangevraagd. Gelet op de bepalingen van de WWB dient deze als middel in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de hoogte van de uitkering.
4. Tegemoetkoming AOW- en Anw-gerechtigden
De AOW- tegemoetkoming, in het kader van het Besluit tegemoetkoming AOW-ers, bedraagt voor het hele jaar 2010 € 36,45 bruto per uitkeringsgerechtigde per maand. Dit resulteert in een netto hoger bedrag van € 33,89 per maand. Voor gehuwden, waarvan beide partners 65 jaar of ouder zijn, is de netto tegemoetkoming € 33,89 per gerechtigde, voor beide partners samen dus € 67,78. De Anw-tegemoetkoming bedraagt voor 2010 € 16,78 per maand bruto.Voor de toepassing van de WWB geldt dat de tegemoetkoming naar zijn aard niet tot de middelen wordt gerekend. Dit is geregeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel p, van de WWB.
5. Belasting over bijstandsuitkeringen
A. Bijstandspercentagetarief gedurende het jaar 2010
Het bijstandspercentagetarief wijzigt per 1 januari 2010. Het percentage dat gedurende het jaar 2010 dient te worden gehanteerd bedraagt 25 % en wordt berekend over de netto bijstandsuitkering verhoogd met de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet. Het opslagpercentage voor deze inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt per genoemde datum 8,97% (zie bijlage I).
B. Rekenvoorschrift voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen aan het eind van het jaar 2010
De belastingtarieven en premies die gelden voor het jaar 2010 hebben ook gevolgen voor het rekenvoorschrift voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen
aan het eind van het jaar. In bijlage Ia zijn de nieuwe percentages en bedragen opgenomen. Het gewijzigde rekenvoorschrift geldt voor het hele jaar 2010.
6. Zorgverzekeringswet en zelfstandigen met een Bbz-uitkering
De bijstand aan zelfstandigen ter voorziening in de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan wordt in de regel in eerste instantie als lening verstrekt. Na afloop van het kalenderjaar, als de ondernemingsresultaten bekend zijn, wordt het definitieve recht op bijstand beoordeeld. Indien de bedrijfsresultaten daartoe aanleiding geven, kan (een deel van) de lening worden omgezet in een bedrag om niet.
Over een lening is geen loonbelasting/premie volksverzekeringen (loonheffing) verschuldigd en daardoor ook geen inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage.Wanneer de uitkering definitief is vastgesteld en (een deel van) de lening wordt omgezet in een bedrag om niet, is er sprake van een belaste periodieke uitkering en is de inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage verschuldigd. De inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage wordt vergoed door de gemeente, bedraagt 7,05% en wordt berekend over de bijstandsuitkering nadat deze is verhoogd met de verschuldigde loonheffing.
De grondslag voor de berekening van de verschuldigde loonheffing is het bedrag aan bijstand dat in 2010 definitief is omgezet in een bedrag om niet, exclusief de inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage. Over deze grondslag is loonheffing verschuldigd.
Ten aanzien van de vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zvw geldt het volgende.
Is er op het omzettingsmoment sprake van een loontijdvak dan bestaat de verplichting om de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw te vergoeden. De loonheffing bedraagt in dat geval 55,78%.
2
Wanneer er geen sprake is van een loontijdvak op het omzettingsmoment dan bestaat die verplichting tot vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw niet. In dat geval bedraagt de loonheffing 50,26%. Voor meer informatie zie: “Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen” (www.belastingdienst.nl).
7. Personen in een inrichting
Net als iedere Zvw-verzekerde zijn ook personen in een inrichting met een uitkering ex artikel 23, eerste lid, van de Wwb de nominale premie ingevolge de Zorgverzekeringswet verschuldigd. Omdat de nominale premie niet uit de norm behoeft te worden voldaan wordt de Wwb-uitkering verhoogd met een bedrag waaruit de nominale premie kan worden voldaan (art. 23, tweede lid WWB en artikel 29, tweede lid WIJ). Deze verhoging van het normbedrag is gelijk aan het verschil tussen de nominale rekenpremie en de maximale zorgtoeslag (zie bijlage I). Het zak- en kleedgeld is belast.
8. Regeling WWB (Paragraaf 6: Vakantietoeslag)
De formules die ten behoeve van de forfaitaire berekening van de in aanmerking te nemen vakantietoeslag in paragraaf 6 van de Regeling WWB zijn opgenomen zijn gebaseerd op de per 1 januari 2010 geldende belastingtarieven en premies. In verband met de wijziging per 1 januari 2010 van belastingtarieven en premies moeten de in genoemde regeling vermelde
bedragen en percentages worden aangepast. In bijlage VI bij deze brief zijn de bedragen en premies opgenomen gebaseerd op de tarieven zoals die vanaf 1 januari 2010 gelden.
9. Grondslagen IOAW en IOAZ
De bruto grondslagen ingevolge de IOAW en de IOAZ worden zodanig vastgesteld dat deze netto gelijk zijn aan de in die wetten genoemde netto bedragen. Als gevolg van de wijziging van het netto minimumloon veranderen ook de netto bedragen en daardoor de grondslagen per 1 januari 2010.
In de bijlagen III en IV zijn de netto IOAW- en IOAZ-bedragen, respectievelijk de daaraan gekoppelde grondslagen, opgenomen zoals die per 1 januari 2010 van toepassing zullen zijn. Bij de vaststelling van de grondslagen is ten aanzien van de in te houden loonheffing rekening gehouden met de algemene heffingskorting. Bij de vaststelling van de grondslagen voor alleenstaande ouders is daarnaast de alleenstaande-ouderkorting in aanmerking genomen. In de praktijk komt het er op neer dat de inhouding van de loonheffing via de te hanteren groene loonbelastingtabel tot een hogere loonheffing, dus een lagere netto uitkering leidt. Dit wordt gecompenseerd door de Voorlopige Teruggaaf (VT) die maande-lijks door de Belastingdienst wordt uitbetaald. De VT moet wel door de belanghebbende zelf bij de Belastingdienst worden aangevraagd. De VT wordt – evenals overige heffingskortingen die als VT worden uitbetaald – in het kader van de IOAW en de IOAZ niet als middel in aanmerking genomen. Samen met de als VT uitbetaalde alleenstaande-ouderkorting levert de eerdergenoemde lagere netto uitkering het in de wet genoemde netto uitgangspunt op.
10. Vereveningsbijdrage
De bruto uitkeringen ingevolge de IOAW en de IOAZ moeten worden verminderd met de vereveningsbijdrage. De vereveningsbijdrage is het equivalent van het werknemersdeel in de Awf-premie. Het werknemersdeel in de Awf-premie blijft per 1 januari 2010 0%. De vereveningsbijdrage wordt berekend over de bruto IOAW- of IOAZ-uitkering.
11. IOAZ, bedrag genoemd in artikel 5, tweede lid, sub 2
Vanaf 1 januari 2010 wordt het bedrag onder sub 2 vastgesteld als rekenkundig gemiddelde van het actuele bedrijfsinkomen, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, sub 3, van de drie voorafgaande boekjaren.
3
12. Toepassing van artikel 9, vierde en vijfde lid, van de IOAW
Door de verhoging van het bruto minimumloon per 1 januari 2010 dienen de toetsingsinkomens van IOAW-gerechtigden, die zijn onderworpen aan de beperkende werking van artikel 9, vierde en vijfde lid van de IOAW, eveneens te worden aangepast. Deze aanpassing is gelijk aan de procentuele stijging van het bruto minimumloon, te weten 0,64%.
13. Bedragen genoemd in de Regeling financiering en verantwoording IOAW, IOAZ en Bbz 2004.
De bedragen genoemd in de Regeling financiering en verantwoording IOAW, IOAZ en Bbz 2004 volgen de ontwikkeling van de lonen en mutaties in werkgeverspremies. De bedragen genoemd in artikel 5 van die regeling worden per 1 januari 2010 aangepast. De nieuwe bedragen zijn in bijlage VII opgenomen.
14. Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK)
De WWIK kent een bruto uitkeringsstructuur en is daardoor in dat opzicht enigszins vergelijkbaar met de IOAW. Een belangrijk verschil in dit verband is dat de WWIK geen aparte vakantie-uitkering kent en geen gesplitste uitbetaling. De bruto bedragen zijn zodanig vastgesteld dat ze netto gelijk zijn aan de van het netto minimumloon afgeleide netto bedragen; deze zijn inclusief vakantie-uitkering. Op de uitkeringen dient de normale groene loonbelastingtabel te worden toegepast. Bij de vaststelling van de bruto bedragen is ten aanzien van de loonheffing rekening gehouden met de algemene heffingskorting. Bij de vaststelling van de bedragen voor alleenstaande ouders is daarnaast – evenals bij de IOAW – rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting. Bij gehuwden is rekening gehouden met de algemene heffingskorting voor de (minstverdienende) partner. In de praktijk betekent dit dat de inhouding van de loonheffing via de te hanteren groene loonbelastingtabel tot een hogere loonheffing, dus een lagere netto uitkering leidt. Dit wordt gecompenseerd door de Voorlopige Teruggaaf (VT) die maandelijks door de Belastingdienst wordt uitbetaald. De VT moet wel door de belanghebbenden zelf bij de Belastingdienst worden aangevraagd. De VT wordt – evenals overige heffingskortingen die als VT worden uitbetaald – in het kader van de WWIK niet als middel in aanmerking genomen. Samen met de als VT uitbetaalde heffingskorting levert de eerdergenoemde lagere netto uitkering het beoogde netto uitgangspunt op.
De kunstenaar met een uitkering op grond van de WWIK is een inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage verschuldigd van 7,05% van zijn uitkering. De inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage wordt ingehouden op de bruto uitkering en wordt vergoed door de inhoudingsplichtige, i.c. de gemeente. Als de definitieve WWIK-uitkering na afloop van een kalenderjaar op een ander bedrag wordt vastgesteld dient de al door de centrumgemeente ingehouden en afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw te worden herberekend.
15. Wet investeren in jongeren (WIJ)
De normen van de inkomensvoorziening in de WIJ komen overeen met de normen van de WWB. De bedragen per 1 januari 2010 zijn opgenomen in bijlage VIII.
Lees meer


Veel gelezen..